Salou
Pakito - Living on Video
De nacht ervoor had ik een cheeseburger uit de muur getrokken.
Niet omdat ik honger had. Twee uur ‘s nachts, Salou, niemand die me tegenhield. De burger zat in een kartonnen doosje met een foto erop van iets wat er beter uitzag dan wat erin zat. Bij de eerste hap bleek het midden nog bevroren. Niet koud. Bevroren. Ik at hem op en liep terug naar het appartement en ging slapen op een bed dat rook naar de mensen die er voor mij in hadden geslapen.
Ik was achttien en ik was in Salou en dat was, tot op dat moment in mijn leven, het grootste wat me was overkomen.
Je keek er je hele puberteit naar uit. Niet naar Salou specifiek, want Salou was eigenlijk gewoon een verzamelnaam voor het idee van vrijheid, van ver weg, van eindelijk. De mensen die voor je waren gegaan kwamen terug met verhalen die bij elke vertelling groter werden. Discotheken waar het nooit ophoudt. Vrouwen. Drank voor niks. Vrouwen. Het strand. Vrouwen. En de Guardia Civil.
Die laatste hadden ze er altijd bij gedaan, en altijd op een toon die aangaf dat het menens was. De Guardia Civil was niet de politie zoals jij de politie kende. Die kon je nog wel eens aanpraten. De Guardia Civil was militair, zeiden ze, en die sloegen je gewoon in elkaar als je lastig deed en niemand die er iets van zei want je was in Spanje en je had gedronken en je was buitenlands. Ik had dit verhaal zo vaak gehoord dat ik er bijna zeker van was dat het klopte. Dus liep ik die eerste dagen door Salou met in mijn achterhoofd permanent een lichte paniek, een soort achtergrondstraling van angst die me bij elke man in uniform deed denken: dit is hem. Dit is het moment. Ik ga de bak in en mijn ouders weten niet eens in welk ziekenhuis.
Het waren natuurlijk gewoon agenten. Maar dat wist ik toen nog niet. Achteraf ook niet helemaal.
De ochtend na de cheeseburger stond ik om een uur of elf op, trok een korte broek aan en liep naar de lift. Ik drukte op het knopje. De lift kwam. De deuren gingen open.
Er lag een matras in.
Niet een matras die er per ongeluk in was gerold. Een matras die er bewust in was gezet, of in ieder geval met enige inspanning, want hij paste precies en stond licht omgekruld aan de bovenkant waar hij tegen de wand aan duwde. Later hoorde ik wat er was gebeurd. Een van de jongens uit een van de andere appartementen was de avond ervoor zo ver heen geweest dat zijn kamergenoten hem inclusief matras de lift in hadden gedragen. Of hij dit zelf had meegekregen was onduidelijk. Wat wel duidelijk was: hij lag er niet meer in. Alleen het matras nog, als een soort monument voor een nacht die niemand meer volledig kon reconstrueren.
Ik nam de trap.
Buiten was het al warm. Met een paar klasgenoten liep ik naar de supermercado op de hoek, een winkel die rook naar koelcel en goedkoop brood en waar je voor vrijwel niets een zak broodjes, een pak sap en een bakje iets smeerbaar kon kopen. We namen alles mee naar het balkon en aten daar met plastic messen en papieren servetjes en het uitzicht op een ander appartementenblok dat er precies zo uitzag als het onze. Het was het beste ontbijt dat ik me kon herinneren, niet vanwege het eten maar vanwege het gevoel dat er nergens naartoe hoefde en dat de dag nog open lag.
Salou was lelijk op een manier die zichzelf niet schaamde. Neonreclames overdag uitgeschakeld maar ‘s avonds zo fel dat je er bijna blind van werd. Een strip vol winkels die allemaal dezelfde dingen verkochten aan mensen die allemaal dezelfde dingen wilden kopen. Het rook naar zonnebrand en frituurvet en soms, als de wind verkeerd stond, naar het riool. Op de stoep voor een Chinees restaurant stond een plastic panda van ongeveer een meter hoog die niets met het restaurant te maken leek te hebben maar er al zo lang stond dat niemand hem nog opmerkte.
Ik vond het prachtig.
Na het ontbijt liepen we richting het strand. Overal liepen vrouwen in bikini. Niet op de manier waarop mijn moeder een bikini droeg. Deze vrouwen liepen alsof ze wisten dat er gekeken werd en het ze geen moer kon schelen. Bruine schouders en buiken en benen die doorliepen tot een conclusie die ik liever niet hardop zou verwoorden maar waar ik wel aan dacht. Ik nam een trek van mijn sigaret, een Fortuna, want dat was wat er was, en keek naar de zee, die blauw en breed en volkomen onverschillig terugkeek.
Op het strand zat een Afrikaanse vrouw met een bak kraaltjes voor zich en een rij witte plastic stoelen naast haar. Ze riep iets toen ik langskwam. Ik bleef staan. We onderhandelden in een taal die geen van ons beiden vloeiend sprak en een kwartier later liep ik verder met cornrows.
Strakke rijen zwart haar gevlochten in parallelle lijnen tegen een schedel die er kennelijk niet op had gewacht. Elke keer als ik mijn wenkbrauwen optrok trok mijn hoofdhuid mee op een manier die licht onaangenaam was. Mijn gezicht was na drie dagen Spanje nog precies even bleek als na drie dagen Rotterdam. Licht pokdalig, witachtig, volledig immuun voor de zon. De cornrows hielpen hier niet bij. Ze zagen er ook niet goed uit, dat wist ik eigenlijk al op het moment dat de vrouw klaar was en me een spiegel voorhield, maar ik knikte en betaalde en liep door.
Op de strip kocht ik een nep Dolce & Gabbana bril voor vijf euro. Zo plastic dat de lenzen doorbogen als de zon er recht op stond. De verkoopster zei dat het een goed model was. Ik geloofde haar volledig.
Terug in het appartement bekeek ik mezelf in de badkamerspiegel. Bleke huid. Cornrows. Nep designerbril. Een broek met een vlekje van gisteravond waarvan ik niet meer wist wat het was.
Ik dacht: dit werkt.
Wat nog ontbrak was een shirt.
Op de strip liep later die middag een jongen in een PSV shirt met “Die Lange” op de rug en rugnummer 69. Hij liep er met de zelfverzekerdheid van iemand die dit van tevoren had bedacht en er helemaal achter stond. Ik keek er een seconde naar en wist wat ik wilde.
Ronaldinho was de beste voetballer ter wereld en als je dat niet vond had je hem niet goed bekeken. Niet de meest efficiënte, niet de meest complete, maar de enige die speelde alsof hij er zelf ook echt van genoot. De steekpass in de kleine ruimte die niemand zag aankomen. De dribbel die begon als een grap en eindigde als een doelpunt. Die blik vlak voor een actie, die fractie van een seconde waarop je zag dat hij het al wist. Ik hield ook van Jay Jay Okocha, maar Ronaldinho deed dingen die geen naam hadden. Hij speelde bij Barcelona, wat een probleem was want ik hield van Real Madrid, maar er zijn dingen die boven clubliefde staan.
Ik liep een winkel in. Man achter de toonbank, drukpers achter hem. Naam en rugnummer naar keuze, vijf euro meerprijs.
“Ola, is het mogelijk een Real Madrid shirt te kopen en daar een naam op te drukken?”
“Si, of course.”
“Ronaldinho. Nummer tien.”
Er viel een stilte die te lang duurde om nog onschuldig te zijn. De man keek me aan zoals je iemand aankijkt die je moeder heeft beledigd. Niet verward. Niet verbaasd. Persoonlijk geraakt, ergens in een orgaan dat ik niet kon aanwijzen maar dat duidelijk bestond en dat nu pijn deed. Ik zag het door zijn gezicht trekken, van zijn ogen naar zijn kaak en weer terug.
“Get the fuck out of my store.”
Ik bewoog niet meteen. Dat was een vergissing. Hij deed een stap naar voren. Ergens achter in mijn hoofd flitste de Guardia Civil voorbij, maar dit was duidelijk een situatie die ze niet nodig hadden.
Ik liep naar buiten.
Links een discotheek waar ongetwijfeld Mental Theo die avond weer zou optreden. Recht voor me een stel toeristen met een plattegrond die ze allebei vasthielden en allebei een andere kant op draaiden. De man had gelijk gehad, dat wist ik ook wel. Je koopt geen Ronaldinho shirt bij Real Madrid, dat is geen kwestie van smaak maar van fatsoen, en toch voelde het alsof ik eruit was gezet wegens een creatief idee.
Een paar straten verder was een andere winkel. Zelfde drukpers, zelfde bordje. Ik liep naar binnen.
Ik kocht een Ajax shirt met “Ballack” erop en nummer 13.
De man die het drukte keek me aan. Keek naar het shirt. Keek me weer aan. Zweeg, vouwde het op, deed het in een plastic tasje en gaf het aan me. Geen commentaar. Gewoon een man die zijn werk deed en begreep dat het niet zijn probleem was.
Ik droeg het shirt diezelfde avond naar de disco. Een Nederlander in een Ajax shirt met een Duitse middenvelder erop, cornrows die inmiddels begonnen te jeuken, een nep Dolce & Gabbana bril die ik om tien uur ‘s avonds nog steeds op had, in een disco in Salou met drankjes voor twee euro en muziek die zo hard stond dat je de dag erna een lichte tinnitus had als aandenken.
Niemand zei er iets van. Ofwel ze begrepen het niet, ofwel ze begrepen het te goed. De Guardia Civil ook niet, gelukkig. Die had die avond belangrijkere dingen te doen


